Palmzondag (10 april)

Palmzondag (10 april)

De intocht in Jeruzalem.

De gebeurtenis staat beschreven in de vier canonieke evangeliën: Mattheüs 21:1-11, Markus 11:1-11, Lukas 19:28-44, en Johannes 12:12-19.

In het Evangelie volgens Johannes (Joh 12:1) staat geschreven dat Jezus zes dagen voor het joodse feest Pesach, dat begint op de avond van de 15e dag van de maand nisan, zich in Bethanië en in Bethfagé bevond. Die avond at hij met Lazarus en zijn zussen Maria en Martha. Twee van de discipelen werden erop uitgestuurd, naar "een tegenovergelegen dorpje", om een veulen op te halen "waar nog niemand op gereden heeft". Het veulen zou naast een ezelin staan; indien gevraagd moesten ze zeggen "dat de Heere het veulen nodig heeft en dat Hij het ook weer terug zou brengen". 's Ochtends vroeg, legden de discipelen hun mantels op de rug van het dier, waarna Jezus erop ging zitten en naar Jeruzalem reed. Langs de weg stonden mensen die riepen: "Hosanna, gezegend is Hij die komt in de Naam des Heren! Gezegend zij het Koninkrijk van onze vader David, hetwelk komt in de Naam des Heren! Hosanna in de hoogste hemelen! (Markus 11:9-10, Boek der Psalmen 118:26)" Ook spreidden ze hun mantels uit op de weg en haalden ze jonge takken van de bomen om die ook op de weg te leggen.

Na Jeruzalem binnengereden te zijn, ging Jezus naar de tempel. Daar was het een drukte van belang; er werd gehandeld en geld gewisseld. Jezus joeg alle handelaars de tempel uit, hun tafels gooide Hij om. Na deze schoonmaak kwamen er allerlei zieken naar Hem toe die Hij genas. 's Avonds ging Jezus weer terug naar Bethanië.

(bron: wikipedia)